Herexamens zijn niet leuk. Herexamens Latijn al helemaal niet. Maar herexamens Latijn op een maandagavond tot zeven uur ‘s avonds kan mijn dertienjarige ziel niet aan. Ik doe niet echt aan zelfmedelijden, maar op dát moment – het moment dat ik daar in de examenzaal zat en mijn examenblad maar niet kreeg – had ik echt, echt, echt – niet overdreven – zin om flauw te vallen. Flauw te vallen en de wereld te vergeten. Weer wakker worden, merken dat er een paar minuten voorbijgegaan zijn, overbezorgde leraren. ‘Jij gaat beter naar huis.’ Of toch tenminste iets in die aard. Maar nee, dan moest ik het inhalen. Dus toen ik eindelijk mijn examenblad kreeg, had ik een andere gedachte: het zou fantastisch zijn om zo’n openbaring te hebben. Bij elk woord, elke opgave onmiddelijk weten wat het (juiste, uiteraard) antwoord was.
En tegen dat ik mijn blad terug afgaf, dacht ik: leren is ook een mogelijkheid.
Maar wie, o wie, steekt er daar nu z’n tijd in terwijl er een wereld is om te ontdekken? Ik wil nog leren bewerken. En fotograferen. Ik heb vrienden om mee te kletsen. En dat verhaal moet ooit af zijn. Ik heb een stapel boeken, die – als ik nog steeds zoveel las als een jaar geleden – binnen de week moesten uit zijn, maar er nu al drie weken liggen. Ik moet in het Dagboek schrijven, dat ik deel met een vriendin. Ik moet, ik moet, ik moet…
Ik heb geen vrije tijd meer. Ik zit op school tot vijf uur – en dat is veel te lang, dat zeg ik niet als scholier, maar als tiener met een realistische kijk op het (school)leven – en maak daarna nog huiswerk, leer mijn lessen. Mijn punten gaan achteruit omdat ik niet tot negen uur ‘s avonds bezig wil zijn, dus leer ik alles maar half. En hoe ik ook probeer, ik kan niet langer over mijn boeken gebogen zitten. En daarna…? Tja. Het is donker, mijn lichaam staat op non-actief en mijn ogen vallen bijna toe. En toch ben ik om half elf nog op.
Dit klinkt heel ongezond, ik klink ongezond, maar geloof me, het is niet zo erg als het lijkt. Het voelt alleen zo.
En toen liep ik naar buiten, op van de zenuwen. Ik had het niet goed gedaan, helemaal niet goed. Een onvoldoende. De eerste. Een onvoldoende op je herexamen. Hoera, hoera.
Ramp.
Mijn ouders.
Pfoe. Ik had nood aan mijn vriendinnen die buiten in de koude stonden. Zij hadden ook een herexamen, hadden net iets vroeger dan mij afgegeven. In het schaarse licht zag ik hun gezichten niet, maar hun opgewonden stemmen vertelden me genoeg. We liepen samen door de sneeuw, roepend en giechelend om onze zenuwen geen plaats te geven, naar onze fietsen. Het was donker, Nympha durfde niet alleen naar binnen en haar fiets zoeken. We liepen met haar mee, luid roepend, om eventuele belagers af te schrikken, knalden letterijk tegen haar fiets op omdat het te donker was. Toen liepen we naar de straat. De sneeuw had een oranje gloed van de lantaarns en stil en geruisloos reden enkele auto’s voorbij. Amber en Laurine vertrokken ook, en ik stond daar alleen. Ik voelde de sneeuwvlokjes op mijn hoofd.